
Mijn geest zweeft nog ergens tussen Mexico en Nederland; gaat naar links, naar rechts, omhoog, omlaag, vooruit en achteruit, maar beweegt zich vooral in de vierde dimensie, van heden naar verleden, naar toekomst. Zweeft boven een baaierd van gedachten, ziet nog de blauwe taco's, die Ben en ik aten voor we snel en schor afscheid namen in Toluca, ruikt nog het houtskoolvuurtje onder de hete plaat, waarop ze gebakken werden, proeft nog de verse koriander, ziet nog de bruine gezichten, de gaten in de straat, de zwarte levendige vogels, al het andere. Hoort nog het zachte Spaans.
Mijn lichaam is al lang geland en raast met volle snelheid vooruit, wordt op idiote tijden wakker of wil juist slapen als niemand anders dat wil. Wordt nog niet aangestuurd omdat mijn geest nog weg is.
Mijn lichaam wil vooruit, maar weet niet waarheen. Mijn geest wil ook wel, maar kan niet zonder uitgerust lichaam. Een paar dagen wachten maar. Dood tij.
Vanaf half drie heb ik wakker gelegen en geluisterd naar WDR3, waar klassieke muziek werd afgewisseld met de Duitse taal, die als zachte balletjes door de nacht rolde
Op het vliegveld heb ik om de tijd te doden "Tijd van onbehagen" gelezen. Geen verloren tijd. In het vliegtuig moest ik slapen, maar mijn lichaam wilden niet tien uur op een te krappe plaats blijven. Uiteindelijk wilde ik staan achter bij de pantry, waar ik onverhoeds, zittend op een stoel van een van de blauw geklede naranjameisjes van de KLM toch onverhoeds in slaap sukkelde. Lezen kon niet omdat ze de lichten uit gedaan hadden. Dat was pas echt een tijd van onbehagen.
Nu wordt het licht.
Het is weer zondagochtend. Ik eet een boterham en ga naar buiten.