
In het Tanameer ontspringt de Blauwe Nijl. De waterval, waar de rivier mee zou beginnen, moesten we natuurlijk zien. Eerst de beroemde “Portugese Brug” over. Daarna een eindje klimmen, een zijstroompje van de Nijl doorwaden, een eind aan de andere kant langs de beroemde rivier lopen om tenslotte via een pontje de Nijl weer over te steken. De watervallen konden we zo van alle kanten bekijken en beluisteren.
Het liep wat anders.
De Portugese Brug was indrukwekkend, maar bij het eindje klimmen kwamen we Kalanchoe tegen, een jaar of acht en gewiekst verkoopster van sjaals, mogelijk in China geweven, maar niet als zodanig gepresenteerd.

“What’s your name?” eiste ze voor ze de onderhandelingen opende op een toon van: “Wat kom je doen?”. Na de nodige formaliteiten presenteert ze haar sjaals, allen even mooi en slechts 50 Birr per stuk, dat is zo’n twee dagen werken voor een bouwvakker in Addis, misschien een beetje veel. We hadden er nog geen zin in en zeiden “nee” en voegden daar, omdat ze aardig was, “nu nog niet” aan toe. “Wanneer dan wel?” “Ik loop wel met je mee”. “Ik wacht wel hier”. Daar komt ook Shoshona aan. “Ik heet Shoshona en mijn sjaals zijn even prachtig”. “Maar ik heet Kalanchoe en ik was eerst”.
We dachten handig te zijn door te zeggen dat we ze op de terugweg wilden kopen. “Remember me, I am Kalanchoe. Remember me”. “I am Shoshona. Remember me.” “Remember me first, I am Kalanchoe”.
Geleidelijk aan daagt er iets in haar ogen: “Jullie komen niet terug he?” “Maar als jullie terug komen, dan wacht ik op je”

De eerste verkoopsters
Door de regenval van die ochtend staat de rivier te hoog. De gidsen zeggen dat het gemakkelijk kan, maar ze moeten tot hun middel door het water waden. Dat kan niet, zeker niet voor de hele groep farenchi’s. We gaan terug.
Ze wachten nog.
Hoe kunnen we jullie vergeten.

Beelden van de twee zijn er niet. In de drukte van de onderhandelingen was dat niet mogelijk. Wel zijn er de hutten waar ze wonen.